Ruim een kwart van organisatiecommitment is toe te wijzen aan flexibel werken. Loyale medewerkers vertonen nog meer betrokkenheid dan nieuwe medewerkers. Dit volgt uit onderzoek van de Universiteit Utrecht.
Toen wij Judith van Delft aanboden om o.a. ons relatienetwerk open te stellen om haar kwantitatief wetenschappelijk onderzoek uit te voeren, kwam ze met de vraag: „wat als de resultaten niet positief voor jullie zijn?” Een bijzondere vraag vonden we toen al. Immers, ieder bewijs is goed. Als het positief is, kunnen we onze veronderstellingen onderbouwen. En als het negatief is (of op zijn minst anders dan we verwachten), zijn wij de eerste om daar iets mee te doen.
Eerlijk gezegd hadden we wel verwacht dat flexibel werken een hoge bijdrage levert aan organisatiecommitment. Maar dat ruim een kwart van organisatiecommitment toe te wijzen is aan flexibel werken? Dat is wel fors meer dan verwacht! Tegelijkertijd dient de vraag zich aan waar de overige 73% door gevormd wordt.
Betrokkenheid is een zeer belangrijke variabele voor organisaties. Betrokken werknemers presteren aanzienlijk hoger, hebben een betere werkhouding, een grotere motivatie om de doelen van de organisatie na te streven en zijn veel minder geneigd om de organisatie te verlaten.
Al sinds de jaren ’50 wordt onderzocht welke variabelen van invloed zijn. En dat zijn er veel, zoals organisatiestructuur, beleid, communicatie van dit beleid, demografische variabelen en salaris. Maar er zijn nog meer variabelen. Met andere woorden, je kan de aanname doen dat flexibel werken in de top 5 staat van variabelen die de betrokkenheid verhoogt, en misschien wel het hoogste scoort.
Opvallender nog is dat medewerkers die langer dan 5 jaar in dienst zijn een grotere toename in betrokkenheid kennen dan medewerkers die er korter werken. Wij hebben altijd veronderstelt dat de jobhopper c.q. de homo zappiens meer betrokkenheid heeft als flexibel werken mogelijk is. Sterker, dat het een soort randvoorwaarde is om nieuwe medewerkers aan te trekken.
We dachten altijd dat de loyale medewerker niet nog meer betrokkenheid kon creëren, en dat de vastgeroeste medewerkers hier niet op zitten te wachten („kennen we al, hebben we al eerder geprobeerd”).
Overboord die veronderstelling dus. Focus je bij het implementeren van het nieuwe werken nog meer op de oud-gediende, de loyale medewerker, de vastgeroeste collega. Zij hebben er het meeste profijt van. En de groep nieuwe medewerkers profiteert daar automatisch van mee. In onze “laten landen, laten werken” trajecten gaan we hierdoor nog meer en nadrukkelijker aandacht geven aan deze groep werknemers.
Deze resultaten betekenen dat organisaties die flexibel werken om in te kunnen spelen op de snel veranderende organisatiecontext tegelijkertijd ook investeren in de betrokkenheid van werknemers. Een win-winst situatie. Of zoals Van Delft het samenvat:
“Flexibel werken draagt bij aan een grotere identificatie met de organisatie, verbeterde motivatie en inzet, minder ontslag en hogere prestaties.”
Oh, en dan nog dit. Toen het onderzoek aangekondigd is, werd openlijk getwijfeld over de wetenschappelijke waarde van dit onderzoek. Omdat het onderzoek uitgevoerd werd door een student zouden de resultaten niet wetenschappelijk zijn. Dit is pertinent onjuist. De wijze waarop het onderzoek is opgezet en voortborduurt op eerdere wetenschappelijke onderzoeken geeft de wetenschappelijke waarde aan van het onderzoek. Het gehele proces is begeleid door de Universiteit Utrecht en continu getoetst op wetenschappelijkheid. Met andere woorden, de conclusies van het onderzoek zijn wetenschappelijk onderbouwd en daarmee feitelijk relevant.
Wij juichen meer wetenschappelijk onderzoek naar nieuwe manieren van werken toe. Vervolgvragen waar wij graag een antwoord op zien zijn bijvoorbeeld:
Wil je de conclusies van het onderzoek zelf nalezen? Vraag dan een exemplaar aan bij Leo van de Vorst.